Skip to Content

Interview

Poeziekrant / nummer 4 / juli-augustus 2017

Rechtstreeks de put in

Een gesprek met Marije Langelaar door Willem Thies

Marije Langelaar is dichter, en tot voor kort ook beeldend kunstenaar – zij maakte vooral foto’s, installaties en videokunst. Ze woont deels in het Belgische Russeignies (Rozenaken), net aan de Waalse zijde van de taalgrens, deels in Nederland, in Arnhem.

Langelaar debuteerde in 2003 met de bundel De rivier als vlakte. In 2009 volgde De schuur in, en nu is er Vonkt. Intervallen van zes, acht jaar. Een veelschrijver is zij, kortom, niet. Op haar website zegt zij over haar kunstenaarschap en manier van kijken: ‘Ik had tentoonstellingen in binnen- en buitenland maar ik zwierf liever rond dan dat ik vast zat op mijn atelier. Ik keek liever naar het waaien van de bomen. Ik bemerkte dat er in kijken een grote kracht verscholen zit. Echt Kijken. Dan verdwijn je in de steen, in de boom, in het huis. Je laat jezelf los en wordt het ding. Je wordt de wereld.’

Na een voorbereidende mailwisseling spreek ik haar nader nabij Arnhem op het terras van Paviljoen de Posbank, een theehuis aan de rand van een met heide begroeide stuwwal op de zuidelijke Veluwe. Het is een goede plek om Langelaar te ontmoeten.  

W: Je maakt überhaupt geen beeldend werk meer? Een doelbewuste keuze voor het schrijven, en niets dan het schrijven?  

M: Inderdaad, ik ben geen beeldend kunstenaar meer. Dingen willen altijd wel iets: geschilderd, opgetild, verplaatst, en dan moet je weer naar de Gamma of de Praxis, het stinkt en is soms giftig, de dingen nemen ontzettend veel plaats in, zijn zwaar, log en onhandig. Ik had er genoeg van. Schrijven past mij beter. Dat kan overal en altijd. Het neemt geen plaats in beslag en staat mij toe om licht te leven. Met weinig spullen, bedoel ik dan. Met schrijven roep je onmiddellijk een beeld op in iemands hoofd, inclusief schaduw en zonlicht die erop vallen, de ruimte om eromheen te lopen. Het is licht van materie maar weids van associatie. Dat vind ik prettig. Een ding is meer een ding. Het dingt in de ruimte. Natuurlijk is dat ook prachtig, je kunt je er bovendien echt fysiek toe verhouden. Je kunt het tasten, proeven, je kunt er bovenop staan. Je kunt het door de ruimte slingeren, mits het niet te groot is. En dan is het ineens ergens anders. Dat is ook bijzonder. Een ding gaat meer over de dichtheid en de absoluutheid van de fysieke wereld, terwijl ik in de taal de wetten van zwaartekracht en andere fysieke wetten kan ontkennen.

W: Je poëzie is niet te reduceren tot een stroming of ‘school’, daar is zij te grillig voor. Wél valt te zeggen dat zij onmiskenbaar een lyrische kwaliteit heeft, zij het een scherpe, veelvormige, soms kartelige en stekelige, en altijd zeer persoonlijke lyriek. Niet een lyriek van het (romantische) hart, maar een fysieke lyriek, een sensuele en soms bijna mythische lyriek – een lyriek, ook, van de drift en drang, de impulsen, intuïtie, hormonen, onderbuik, het zintuiglijke, het lichaam. Fel, energiek, onstuimig. Een lyriek die zich kan verbinden met het groteske, absurdistische, zelfs surrealistische, met de magie (en, zoals gezegd, de mythe). Herken jij je in de omschrijving?

M: Jazeker, ik herken me daarin. Poëzie ontstaat. En zij wil bestaan in haar meest krachtige vorm. Op die manier is het gedicht welhaast een eigen entiteit met een zeer uitgesproken wil. Ik heb daar als persoon niet zo veel mee te maken en zeker niet zo’n grote invloed op. Als het eerstvolgende gedicht vindt dat zijn meest succesvolle uitdrukkingsvorm het sonnet is, móét ik wel een sonnet schrijven. De volgende keer kan het een vrije vorm zijn, een haiku, een episch schrijfsel.
Voor alle gedichten geldt: door het in een vorm te gieten, krijg ik zélf ook meer vorm. Het ‘het’ verwijst naar een specifieke ijle onnoembare beweging, energie of massa die nog ongenoemd is. Het duidt op een beweging in mijn eigen innerlijke landschap die genoemd wil worden. Door het vangen in taal wordt die specifieke ijle onnoembare beweging enzovoort manifest. Zo word ik zelf ook meer manifest.
Het aparte is dat mijn gedichten vaak een voorspellend karakter hebben. Eerst schrijf ik het, daarna ontwikkelt dat wat ik omschreven heb zich echt in mijn leven. Dus misschien is het handig een keer over een onuitputtelijk fortuin te schrijven.

W: Dat is heel wonderlijk, dat voorspellende karakter van bepaalde gedichten. Ik héb dat, nochtans, wel eens eerder gehoord. Zo schreef Menno Wigman eens een gedicht in opdracht van het Sint Lucas Andreas Ziekenhuis in Amsterdam: ‘Opname’, uit zijn bundel Slordig met geluk. Hij zou het voordragen bij het afscheid van een man, een poëzieliefhebber, die daar in de directie of, ik meen, de Raad van Toezicht zat. Het gedicht bevat de strofe: ‘En nu je lichaam in het Lucas ligt / komt traag en zwaar een zon op in je hoofd.’ Later, in 2014, zou Wigman zelf opgenomen worden in dit ziekenhuis, zeer acuut – liefst drie weken bracht hij er door, waarvan twee op de intensive care. Ik bracht het gedicht in verband met zijn opname en mysterieuze en uiterst zeldzame hartaandoening, het syndroom van Loeffler, die toen manifest werd, maar het gedicht ging dus vooraf aan zijn opname – het kreeg daardoor in retrospectief een enigszins profetische allure.

Wat heb jij ‘vormgegeven’ in jouw gedichten wat vervolgens daadwerkelijk plaatsvond, of zich – zoals jij zegt – heeft ontwikkeld? Of wil je dat liever niet zeggen, is het te… pijnlijk of privé?  

M: Wanneer ik ouder werk lees, kan ik zien wat zich al bezig was te vormen zonder dat ik me daar bewust van was. Er sluimert blijkbaar iets, er hangt iets in de lucht wat ik al wel woordelijk kan vangen maar wat nog lang niet is. Dit is onder andere zichtbaar in gedichten als ‘Vrij’ en ‘Vonk’. In De schuur in heb ik eerst het donker en het duister, dat ik helemaal niet kende, onderzocht, in taal bedoel ik, om er daarna helemaal in terecht te komen. Ik wil niet al te zeer uitweiden over de vorm van het donker, maar het heeft me ontzettend rijk gemaakt. Wanneer iemand alles wie je bent of denkt te zijn, letterlijk alle gebieden, probeert te bevuilen of te vernietigen, kun je niet anders dan uitkomen bij datgene wat onverwoestbaar is. Je kern, je ziel, of hoe je het ook maar wilt noemen.

W: Wat mij opviel aan het idioom in je eerste bundel, De rivier als vlakte: je legt een voorliefde aan de dag voor woorden (en uiteraard het fenomeen dat het woord aanduidt) als ‘glanzen’ (en ‘glad’) en ‘fonkelen’. Prachtige woorden omdat ze geen vaste eigenschappen van objecten weergeven, maar het verschijnsel zich enkel voordoet in interactie met de omgeving of een ‘ander lichaam’. Voorwerpen glanzen pas als het oppervlak zeer glad of vochtig is, en ‘fonkelen’ is ‘intens en pulserend glanzen’, ‘schitteren’, of ‘stralen’ – waarbij het ‘flikkerende effect’ bereikt wordt door breking, verstrooiing, vertroebeling van het licht. ‘Glans’ ontstaat waar een object (het materiaal, het oppervlak) zich samenvoegt met zijn directe omgeving (vocht, lichtval). Het is een kwaliteit zowel van het object als zijn omgeving; hij ‘doet zich voor’ dáár waar zij elkaar ontmoeten, raken. Ben je je zeer bewust van deze voorliefde, of fascinatie, voor die, zeer specifieke, woorden?

M: Ja, ik ben mij daarvan bewust. Weet je, al tijdens mijn tijd op de kunstacademie wist ik dat ik wel heel veel van kunst houd, maar vooral van wat daarachter ligt. Ik ben altijd geïnteresseerd in het daarachter. Het onnoembare, het eeuwige heeft vormen nodig om zichtbaar te worden. Dingen, reflecties, glanzingen, gevonk, gespetter en geschitter. De wind is ook niet zichtbaar en heeft de dingen nodig om zichzelf zichtbaar te maken, in het heen en weer gaan van de takken en bladeren, wild en onstuimig of zacht deinend. Een gat is ook pas een gat wanneer het omsloten wordt door materiaal.

W: De titel van je tweede bundel, De schuur in, is zeer geladen en meerduidig. De schuur is een afgeschermde, donkere, heimelijke plek. Je kunt erin opbergen, en je erin verbergen. Het kan ook (net als een kelder) een sinistere, onheilspellende plaats zijn. De poëzie in deze bundel kan schuren (‘De schuur in’ klinkt bíjna als ‘De schuring’), wrijven, vlijmen, vlammen, vonken – zoals in een schuur of werkplaats het blad van een zaagmachine snorrend en tollend en suizend door hout kan dringen, een lasapparaat vonken kan sproeien. ‘Schuren’, ten slotte, duidt op: polijsten, gladwrijven (met machine of papier met daarop fijngemalen glas). Een veelvoorkomend woord in déze bundel is ‘glad’; een woord dat ‘schuring’ (of slijting, of slijping) kán oproepen, daar het resultaat van kan zijn. (Een eigenschap die op haar beurt het meer ‘vluchtige’ ‘glans’ kan evoceren.) Andere geliefde woorden zijn: ‘klappen’, ‘rillen’. Oók weer: prikkelend, sterk beeldend, evocatief, suggestief, geladen, dubbelzinnig. ‘Rillen’ kán duiden op angst, huiver van de kou, maar ook op zinnelijk genot, lust, sidderen; ‘klappen’ duidt op applaudisseren, maar het heeft ook een connotatie met geweld, slaan, meppen. Hoe ga jij te werk? Heel intuïtief? In een vlaag, een eruptie?     

M: Elk gedicht is een uniek gesloten circuit waarin tegenstellingen, beelden, vormen en bewegingen op een heel eigen manier op elkaar in gaan werken, wat een bepaald voltage opwekt. Kortsluiting is eveneens mogelijk. Dat is het gedicht. Soms lukt dat. Soms wat minder.
Gedichten die met een zekere urgentie zijn geschreven zijn de beste. Deze gedichten ontstaan vaak in één ruk en zijn meteen raak. Niets meer aan doen. Ze leven meteen en zijn succesvol in hun uitdrukking. Ik lees en herlees en raak er niet op uitgekeken. Ook omdat ze iets wezenlijks in mijzelf uitdrukken. Andere gedichten vereisen wat meer geduld. Ze dienen zich aan en staan het toe dat ze langzaam, door kneding, door bedachtzame plaatsing een gezicht krijgen. Ik ga niet berekenend te werk. Als ik alles wil begrijpen en controleren gaat het gedicht nooit zingen. Ik kan ook moeilijk een bepaald thema vastzetten, want de woorden gaan toch hun eigen gang. Ik heb het proces van dichten wel eens omschreven als een anarchie die op een zachte manier wordt neergeknuppeld.
Ik heb in eerste instantie geen enkele rem, geen gêne, ik schrijf al wat er in mij opkomt, en ineens vang ik een zin. Of een scène. Van daaruit is er een focus, concentratie. De tijd die zo’n gedicht nodig heeft om te worden, varieert. Ik heb ook een mapje in mijn computer met gevangen zinnen die ik nog nooit ergens heb kunnen plaatsen. Er zijn ook gedichten die nooit worden. Ze zijn mank, blind of zonder ledematen. Ik koester ze niettemin. Misschien dat ze ooit nog eens ogen of oren krijgen, armen en benen.

De oermoeder, koning

Van Langelaars tweede naar haar laatste bundel is er een thematische verschuiving (geen radicale verandering) zichtbaar: De schuur in valt ruwweg uiteen in drie afdelingen: het lichaam, vrouw, man. Het gaat hierbij om een bijna mythische, archetypische vrouw en man, een oervrouw en oerman, oergeliefden. Erotiek, sensualiteit, lust spelen een grote rol in deze bundel (overigens ook een andere drift: geweld, agressie). In Vonkt doet ‘het kind’ zijn intrede – en ook dit kind heeft een mythische, archetypische allure: het is een ‘oerkind’. Dit oerkind staat in verband met een oermoeder – overigens totáál geen moeder zoals die in westerse traditionele of behoudende rolpatronen wordt gezien maar een sterke, weerbare én zelfredzame (autonome en autarkische) moeder, die het land bevrucht, die belagers verslaat, die koning is van haar aardrijk.  

W: In veel van jouw gedichten vindt er een transformatie plaats, of beter gezegd: een doordringing. Het lyrisch ik verplaatst zich (binnen de context van het gedicht, het fictieve raamwerk, gaat het veelal om een zich letterlijk verplaatsen) in een ander wezen – hetzij een dier, hetzij een andere entiteit, een ding. Het ik gaat op (of onder) in een ding of dier, penetreert het, integreert ermee.  In het gedicht ‘Stoel’ in je laatste bundel voltrekt zich ook zo’n ‘doordringing’. De ik maakt (wezenlijk) contact met een stoel en voor een fractie wórdt de ik de stoel: ‘voor even, een seconde of drie werd ik stoel. Het was zalig, zalig / dat hout in mijn wervels! De klop in mijn been, een bestaan / zonder bloed of gedachten. En stil te staan eeuwig. En / opgetild. En altijd die functie en een / innerlijk waaien van de bomen afkomstig.’ Niet voor niets schrijf je, in het gedicht ‘Woord’: ‘Ik was doordrenkt van worden.’ – naar mijn overtuiging een cruciale regel, die raakt aan een grondmotief of thema.  Wanneer een doordringing plaatsgrijpt, blijft de oorspronkelijke identiteit van de ik, in rudimentaire vorm, behouden in het vreemde ‘lichaam’ – een wezen in een wezen. Dat creëert een spanningsveld. Vindt de ik zijn vrijheid in zo’n doordringing, of zit hij gevangen in het vreemde lichaam – of beide? Is er sprake van verwezenlijking of zelfverlies?

M: Ja precies, dat is een interessante vraag. Ik kan alleen mijn eigen beleving hierop weergeven. Ik zie het zo: we zijn allen opgebouwd uit elementaal-delen, plant-delen, dier-delen, universum-delen. Sterrenstof, meteoriet. Enzovoort! Dat zijn wij. Dat alles. Een samenstelling van het geheel. Onze voorouders zijn dieren, planten, mineralen, sterren en weet ik veel wat nog meer. Dat is geen dichterlijk fabeltje, dat is. En daarbinnen stroomt een hoogelektrische levensgevende stroom, die alles aanzet, laat zingen en vibreren. Ik heb een grote, onstuitbare drang om alles op een heel zintuiglijke manier te willen ervaren. Overal met mijn vingers in, handen in de klei, in alle rivieren, willen versmelten. Hoe werkt het? Hoe gaat het? Immens nieuwsgierig zijn naar de aarde en al haar bestaansvormen. Me op de grond neerleggen en inwrijven met zand en bladeren. Rechtstreeks de put in. Als een nieuweling, dronken van hartstocht. En ja, overal in. En waarom? Omdat de ervaring levend maakt. Ik wil op die manier alles een hartslag geven.

W: Er vinden ook daadwerkelijke (en volkomen) metamorfosen plaats: gedaanteveranderingen. Is hier ook een fascinatie bespeurbaar voor de Griekse mythen en sagen (misschien ook de Noordse), of het Latijnse dichtwerk Metamorfosen van Ovidius? Neem het gedicht ‘Hert’. Ik moest denken aan het trieste lot van Aktaion, voortreffelijk jager, die heimelijk de godin Artemis naakt aanschouwt, terwijl zij baadt in de rivier – waarop zij hem, vertoornd, verandert in een hert. Maar ánders dan in jouw gedicht is daar sprake van iets dat stuurt of bestiert, en van een reden: straf, wraak. Het gedicht:     

Hert

En ik kijk naar mijzelf.

Voel mijn benen zich verdunnen en draaien

onmiddellijk volgen mijn armen het groeien van hoefjes

ik stap uit mijn jurk en mijn hemd inmiddels te groot en

voel mijn vacht in de wind

mijn oren richten zich zetten uit en ik 

luister naar het kletteren van borden ver in de keuken

het waaien van gras

ik hoef inmiddels niets meer.

Zo als hert heb ik dorst niets dan dorst en

beweeg naar het water

W: De metamorfose vindt eenvoudigweg plaats, ‘zonder meer’. Er is geen reden of oorzaak, het is geen straf voor ongeoorloofd gedrag (of beloning voor deugdzaam leven), er is geen verklaring. Krijgt in dit gedicht ook het verlangen ‘onmiddellijk’ te leven gestalte – te leven ‘volgens het lichaam’, zonder zelfreflectie en bemiddelende gedachten?

M: Ja, de dorst hebben is echter wel een belangrijke aanwijzing. Ik ben niet opgegroeid met de Griekse, Latijnse en Noordse mythen. Wel was daar bij ons thuis de Bijbel en een van de zinnen die succesvol zijn blijven hangen, is ‘evenals de moede hinde die naar het klare water smacht’ en op diezelfde manier dorstig zijn om god te vinden. Waarbij de god voor mij niet de oudtestamentische god is (de kerk en geïnstitutionaliseerde religie zijn niet succesvol blijven hangen) waar je deemoedig je hoofd voor moet buigen, maar een levende eeuwige oerbrom [ja, -brom, met een m, WT] die overal in doorzingt, in jou, mij, deze stoel, de bomen, het gras, en daarom, om daar even op terug te komen, is verplaatsen zo gemakkelijk en eigenlijk zo logisch. We zijn allemaal verdichtingen van hetzelfde.
Alleen dit heeft de verschijningsvorm van een boom, met al zijn specifieke kwaliteiten en zijn specifieke uiterlijke vorm, en dat heeft de verschijningsvorm van een vos. Met al zijn kwaliteiten, gedragingen en instinct, en specifieke uiterlijke vorm. Ik heb een grote nieuwsgierigheid naar hoe al die verschillende vormen en verdichtingen zich gedragen en verhouden tot elkaar. Dat fascineert me mateloos.

 

 
 
 
Awater (najaar 2015)
Interview met Marije Langelaar door Saskia Stehouwer
 
HET BINNEN ALS LANDSCHAP
 
S: Nu ik je poëzie chronologisch heb gelezen heb ik het gevoel getuige te zijn geweest van een soort scheikundig proces: van een gasvorm naar gecondenseerde waterdruppels, die uiteindelijk samen een stroom zijn gaan vormen. Een verdichting van de bladzijde met steeds meer woorden en zinnen. De laatste stap, van vloeibare toestand naar vaste stof, zal misschien niet plaatsvinden omdat jouw poëzie daar veel te open en levendig voor is. Wat vind je van die vergelijking?
 
M: Wat een prachtige vergelijking! 
Maar is dat niet wat we allemaal doen en gedaan hebben? 
Het afdalen van droom, wens, potentie (gas, lichtflits) naar vorm. Iets wat spartelend en levend op aarde komt. Ik doe niet anders. De ontwikkeling in mijn gedichten is blijkbaar een getuigenis van deze afdaling.
Ook de overgang naar vaste stof zal plaatsvinden. Maar dan om te constateren dat alles, in die vaste stof, als je wat beter oplet en er een grote microscoop opzet, als een gek vibreert, danst, zingt, als een groot atomisch orgasme. Wat een weelde. Maar niet als een theorie; ik heb niets met theorieën, ik wil dat voelen en ervaren. Dan pas wordt het een levende realiteit. 
 
S: In je poëzie zie ik een duidelijk begaan zijn met de mensheid en de natuur, een soort holistische levenshouding, maar net als ik ben jij geen dichter die heel openlijk opinies uit of namen noemt. Zie jij jezelf  als een geëngageerde dichter en zo ja,  hoe breng je dat engagement in je gedichten tot uitdrukking?
 
M: Het meest geëngageerde wat ik kan doen, is mijzelf zo veel mogelijk innemen, ontdekken, verkennen en daarbij verantwoordelijkheid nemen voor alles wat ik ben, doe, zeg en gedaan heb.
Het begint dus met de stap naar binnen. 
Het binnen is een landschap, een filmvertoning, een wrede worsteling, gedrochten en engelen die hun plaats innemen, vechten en spelen. Het binnen is het meest seksuele, bloeddorstige podium dat je ooit hebt gezien, en dan weer kalm en sereen, glimmende steden in trance met torens en mijnen. Katten en honden. Waar je ontgoocheld raakt, gespleten wordt, verminkt en dan weer in je mooiste flodderige jurkje wuivend in een veld, de liefde bedrijft op een wolk. Trompetten die schallen, honing die de berg afstroomt, het gras dat ogen krijgt, het bos dat ogen krijgt, de rivier die ogen krijgt.
Daarom dicht ik. Van dat wonder vervuld zijn, dronken van hartstocht, van de warme slag in je lijf, elke seconde word ik weer nieuw geboren, het slaat mij het leven in en ik zeg elke keer weer JA.
 
S: Hoe beinvloed wat er vanbinnen gebeurt dan jouw positie in de buitenwereld? 
 
M: In mijn beleving is het zo dat binnen- en buitenwereld effect op elkaar hebben. Wanneer je de volle verantwoording neemt voor jezelf en wie je bent, heeft dit automatisch effect op hoe je leeft. Je kunt niet meer werkeloos toezien hoe dingen niet kloppen.
Ik ben een bouwer. Als ik jurist was geweest, had ik het rechtssysteem graag omgevormd omdat ik tijdens een lange vechtscheiding aan den lijve heb ondervonden hoe corrupt en gemakkelijk te manipuleren het is.
Maar ik ben geen jurist, ik ben vooral een moeder van twee jongens, een van 8 jaar en een van 10 maanden, en dus werk ik aan de fundamenten die daarvoor belangrijk zijn. 
In 2011 heb ik een ervaringsgerichte basisschool opgericht, in België waar ik ook woon, inclusief kippen en 40 leerlingen. Momenteel werk ik aan het opzetten van een ecodorp, een zelfgebouwde leefgemeenschap waarin saamhorigheid, ecologie en spiritualiteit centraal staan.
Ik geloof in de zachte waarden, niet noodzakelijk in de waarden opgelegd door deze maatschappij. Ik denk en beweeg me vaak buiten de geijkte paden, niet omdat dit moet maar omdat ik graag mijn eigen kaders schrijf. Schrijf je eigen leven. Wees je eigen onuitputtelijke bron, wees het beste wat je ooit is overkomen.  
Schrijven om het schrijven, het opgaan in woordspelletjes en literaire vernuftigheden, vind ik niet interessant. Ik kan alleen schrijven wanneer er iets overloopt. Wanneer ik in brand sta. Wanneer er iets gegist is wat woorden moet krijgen. Uiteindelijk gaat het allemaal over het in vorm komen van mijzelf. Dat proces staat voorop; de woorden en gedichten zijn de transcripties daarvan, sterk metaforisch. En waar kom je uiteindelijk uit? Dat is de vraag. 
Die stoel, dat landschap, de vogels, de vonk, de schuur, de schedel. Ik ben dat alles.
Je kunt me holistisch noemen, een pantheïst, een geitenwollen sok, hippie, of welke naam je er ook maar aan wilt geven. Dat maakt me niets uit. 
 
S: Wordt je wel eens verrast door je eigen gedichten?
 
M: Een van de meest frappante dingen is dat mijn gedichten vaak een voorbode zijn gebleken van iets wat ik later mee zou maken. 'Vrij' is daar een voorbeeld van en 'Vonk' ook.
En zo heb ik in De schuur in het duister in het woord moeten verkennen om er later ten volle in terecht te komen, maar dan ook kopje onder te gaan, slechts aan een nylondraad nog hangend.
Voor mij was dit een zeer nuttige ervaring omdat ik het zwart niet kende. Tot drie jaar geleden had ik nog geen enkel conflict meegemaakt, maar niemand kan om het zwart heen; we leven in een duale wereld en juist die dualiteit lanceert je naar groei. 
 
S: Bestaat die verbinding tussen poëzie en groeiproces allang?
 
M: Ik herinner me goed dat ik op de middelbare school een gedicht moest voordragen. Ik koos ‘vers 6’ van Paul van Ostaijen. Vooral de regels
 
Ik wil bloot zijn en 
beginnen 
 
vond ik zeer indrukwekkend en alhoewel ik toen niet precies  kon verwoorden hoe en waarom, herkenbaar. Het gaat over het verlangen alles te willen uitkleden, alle kleren af te leggen. Ik ben zeer goed in het ontkleden van mijzelf en anderen. 
Op de middelbare school was daar godzijdank Lucebert. Ik kende vele fragmenten uit mijn hoofd, zijn zang beviel me mateloos en dat was het moment dat ik voorgoed viel voor de poëzie. 
 
S: Je was eerst beeldend kunstenaar. Vanwaar de overstap naar het schrijven?
 
M: Ik heb veel tentoonstellingen gehad, in Nederland, België, Berlijn, Mexico, maar werd zo moe van het sjouwen met hout, het gedoe rond de opslag van al die werken, steeds naar de Praxis, de Hubo. Al die spullen willen altijd wel iets, verplaatst worden, geschilderd, gezaagd, doodvermoeiend. Dingen kunnen zo dwingend zijn. En loodzwaar, allemachtig. Vooral omdat ik iemand ben die graag weinig heeft en vrij is. 
Schrijven past me dus veel beter. Ik maak geen kunst meer, enkel verhalen en tekeningen voor mijn zoons, huizen van speculaas, wereldsteden van karton. 
Ik heb een schrijfcyclus van ongeveer zes jaar, wat vrij lang is, deels omdat ik steeds zulke grote projecten heb lopen. Een fabriek kopen en verbouwen, reizen en tentoonstellingen, kind krijgen, school opzetten, scheiden, weer een kind en nu een ecodorp. Maar de nieuwste bundel is vrijwel af! Alleen moet ik mijn uitgever nog inlichten… 
 
S: Ik herken me heel erg in de verwondering die uit je poëzie spreekt. De aandacht voor dingen die alledaags gevonden worden, die meestal over het hoofd worden gezien. Draag je die verwondering altijd bij je of moet je die opzoeken? Hoe kijk jij naar de wereld om je heen?
 
M: Ik kan zeer ontroerd raken door kunst, vooral als ik inzoom op de details, hoe dik of dun de verf op het doek zit, een vorm, een geweldige kleur maar ik kan ook geraakt worden door schijnbaar onbenullige dingen zoals hoe een stoeptegel in de straat ligt. Alsof je ineens de dingen naakt kunt zien en daarmee het wonder dat zich overal in voltrekt.
Ik kan altijd terugkeren naar zachtheid, naar een soort oergevoel van diepe verwondering en kroning van alles wat er om ons heen is en ons doorstroomt, terwijl ik tegelijkertijd contact blijf houden met de illusie waar we allemaal zo in op kunnen gaan. Dat is de basis. 
Wanneer ik dat voel, huil ik. 
Huil ik en juich ik. 
 
S: In de natuur zijn helpt mij om te schrijven, om die verbinding te voelen die je hierboven omschrijft. Ik heb het gevoel dat natuur voor jou en jouw werk ook heel belangrijk is. Hoe integreer jij natuur in je werk en je leven?
 
M: Ik heb een enorme dorst naar natuur. Ik zou graag mijn eigen huis bouwen, op de aarde, in de aarde, met takken doorvlochten. Ik wil terug naar simpel en oer, niet Spartaans maar juist vervuld van schoonheid en warmte. Vandaar dat ik een ecodorp op wil zetten. Over de hele wereld schieten dit soort initiatieven schieten momenteel als paddenstoelen uit de grond. Dat is niet vreemd, want we zijn als maatschappij te ver afgedreven van waar het om draait. We zijn eveneens vergeten dat we ook alles kunnen herbezien en opnieuw beginnen. 
Ik woon momenteel inderdaad in Arnhem , maar ook in Amougies, een gehucht in Wallonië dicht bij het Kluisbos. Een prachtig bos vol hellingen waar de taalgrens doorheen vost. Ik leef momenteel een ietwat nomadisch leven. Je zou kunnen zeggen dat ik, anno nu, helemaal ben uitgekleed, maar ik kan me geen betere positie indenken.